A A A
 
 

Gezondheid

Osteoporose

In België lijdt ongeveer 3% van de mannen en 15 % van de vrouwen van 65 jaar of ouder aan osteoporose. Deze aandoening kan alle botten aantasten, maar de meest voorkomende fracturen zijn die van de pols, de wervels en de heup. Osteoporose is een multi-factoriële aandoening. Het bestrijden van de risicofactoren en een gezonde eet- en leefstijl kan het risico op osteoporose verminderen. Calcium, eiwitten, vitamine D en andere essentiële nutriënten zijn van vitaal belang voor de botgezondheid. Melkproducten worden beschouwd als een zeer interessante bron van calcium. Daarnaast bevatten ze ook nog andere essentiële nutriënten waaronder eiwitten en verschillende mineralen en vitamines en  bio-actieve componenten. Zo leveren ze een belangrijke bijdrage om de botten sterk te maken en te houden. Een ‘botvriendelijk’ voedingspatroon bevat minstens 3 porties melkproducten per dag.

Algemeen

Prevalentie

In België lijdt ongeveer 3 % van de mannen en 15 % van de vrouwen van 65 jaar of ouder aan osteoporose. Bij vrouwen is de prevalentie van osteoporose sterk toegenomen tussen 1997 en 2004 (van 4% naar 5,6 % voor alle vrouwen en van 15,5 % naar 19,2 % voor 65-plussers). Bij de mannen komt osteoporose minder voor (0,8 % voor alle mannen en 2,5% voor 65-plussers). Mannen hebben meestal een hogere totale botmassa dan vrouwen waardoor ze meer botreserve hebben op latere leeftijd. Bovendien is er geen mannelijke equivalent voor de menopauze waardoor versneld botverlies dat optreedt tijdens de menopauze, zich niet of pas later manifesteert bij mannen. Het fenomeen van mannelijke osteoporose mag echter niet onderschat worden. De incidentie van osteoporose zal verder toenemen door de stijgende levensverwachting en het groeiende aantal senioren. Onvoldoende lichamelijke activiteit en verkeerde voedingsgewoonten spelen eveneens een rol (1).

Definitie

Osteoporose is een systemische aandoening van het skelet gekenmerkt door een lage botmassa, een microarchitecturale achteruitgang van het botweefsel en broosheid van het bot met als gevolg een toenemend risico op fracturen. Osteoporose geeft doorgaans geen klachten. Het wordt vaak pas opgemerkt wanneer er een fractuur ontstaat.

De meest voorkomende fracturen zijn die van de pols, de wervels en de heup. Na iedere fractuur is de kans op een nieuwe fractuur dubbel zo groot. Na een wervelfractuur is de kans op een nieuwe wervelfractuur vier keer zo groot. Een fractuur aan de heup gaat gepaard met de grootste morbiditeit en mortaliteit (2).

Diagnose

De graad van osteoporose wordt bepaald aan de hand van de T_score: de botmineraaldensiteit (BMD) wordt gemeten en vergeleken met de gemiddelde waarde bij een groep jonge, gezonde personen van hetzelfde geslacht. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) stelt dat een persoon aan osteoporose lijdt wanneer de T_score 2,5 keer kleiner is dan die van de referentiegroep (3).

Er wordt in de literatuur gesproken over primaire en secundaire osteoporose:

  • primaire osteoporose (postmenopauzale en seniele osteoporose) is de meest voorkomende vorm en staat voor een vermindering van de botdichtheid zonder een duidelijke oorzaak
  • secundaire osteoporose is de afname van botdichtheid ten gevolge van een specifieke oorzaak. De meest voorkomende oorzaak van secundaire osteoporose is het chronisch gebruik van corticosteroïden (ziekte van Paget)

art_totop

Risicofactoren

Osteoporose in een multi-factoriële aandoening: diverse factoren spelen een belangrijke rol in het proces

Leeftijd

De prevalentie van osteoporose stijgt met de leeftijd. Bot is dynamisch weefsel: er wordt voortdurend bot aangemaakt en afgebroken. Tijdens de groei wordt er meer bot aangemaakt dan afgebroken. Meer dan 90 % van de piekbotmassa of de totale botmassa is gevormd op ongeveer18 jaar bij meisjes en op ongeveer 20 jaar bij jongens. Wie tijdens de puberteit te weinig bouwstoffen zoals calcium opneemt, zal onvoldoende botmassa aanmaken en kan dat nadien niet meer goedmaken. De piekbotmassa wordt bereikt op ongeveer 30 jaar en blijft redelijk stabiel mits een gezonde voeding rijk aan calcium en voldoende lichaamsbeweging. Bij vrouwen begint de netto-afbraak tussen het 40ste en  50ste levensjaar, bij mannen ongeveer vanaf het 55ste levensjaar.

Andere risicofactoren
  • genetische factoren
  • omgevingsfactoren zoals voeding (bv. te weinig calcium, overmatig alcohol-, koffie- en zoutgebruik), te geringe blootstelling aan zonlicht (vitamine D), rookgedrag, te weinig lichaamsbeweging, een langdurig gebruik van specifieke geneesmiddelen (corticosteroïden)

Preventie en behandeling

Preventie moet al op jonge leeftijd beginnen. Tijdens de jeugd moet een zo stevig mogelijk skelet worden opgebouwd. Op latere leeftijd moet botverlies zoveel mogelijk worden beperkt. Preventie van osteoporose is dus zowel belangrijk binnen de pediatrie als de geriatrie.
De drie pijlers waarop de preventie van osteoporose berust zijn:

  • calcium (voeding): 900 mg calcium per dag; voor jongeren, 60-plussers en vrouwen na de menopauze 1200 mg per dag
  • vitamine D (zonlicht): minstens 15 minuten per dag in de buitenlucht
  • lichaamsbeweging: minstens 30 minuten per dag (bv. wandelen, joggen, de trap nemen)

De rol van calcium

Calcium is belangrijk voor de botgezondheid van alle leeftijdsgroepen. Hoewel 99 % van al het calcium in het lichaam in de botten en het gebit vastzit, is de overige 1 % van cruciaal belang voor het samentrekken van de spieren, de bloedstolling en de overdracht van zenuwprikkels. Deze functies maken dat het gehalte aan calcium in het bloed nauwkeurig moet gereguleerd worden en dat de calciumconcentratie van het bloed binnen nauwe grenzen moet blijven. Wanneer de voeding onvoldoende calcium aanlevert, wordt er calcium vrijgemaakt uit de botten. Het aanspreken van de calciumreserves gaat ten koste van de botsterkte. Langdurige botresorptie of botafbraak werkt osteoporose in de hand. Om botten gezond en sterk te krijgen én te houden, is het belangrijk om iedere dag voldoende calcium binnen te krijgen.

Uit een literatuuroverzicht van alle sinds 1975 uitgevoerde studies naar het verband tussen de calciuminname en de botgezondheid, blijkt dat in 50 van de 52 gepubliceerde gecontroleerde studies een gunstig effect van calcium werd gevonden (4). Een toename van de calciuminname leidt tot een verlaagde botombouw, een betere calciumretentie, een verminderd leeftijdsgerelateerd botverlies of een verlaagd fractuurrisico. In 64 van de 86 observationele studies was een verhoogde calciuminname geassocieerd met een verlaagd fractuurrisico, een verminderd botverlies of een verhoogde botmassa. Na 2000 zijn nog ruim 100 relevante studies gepubliceerd. In ruim 90 % van deze onderzoeken werd het gunstige verband tussen de calciuminname en de botgezondheid bevestigd (5).

Een gezonde voeding met voldoende calcium tijdens de kinderjaren is bepalend voor een stel sterke botten op latere leeftijd, zo blijkt uit verschillende studies. Uit een specifieke studie bij tieners blijkt dat een toename van de calciuminname van 800 mg per dag naar 1200 mg per dag 20 jaar later resulteert in een toename van de botdichtheid met 6 % (6).

Bij ouderen is een hoge calciuminname geassocieerd met een trager verlies van bot en een verlaging van het fractuurrisico. Uit een meta-analyse van onderzoeken waarin calcium of calcium in combinatie met vitamine D gesupplementeerd werd ter voorkoming van botbreuken en botverlies bij 50-plussers bleek dat een dagelijkse calciumsuppletie van minimaal 1200 mg kan helpen. Dit ter voorkoming van botbreuken en botverlies bij mensen ouder dan 50 jaar (7).  Een additioneel effect van extra vitamine D werd niet gezien, maar wel dat een goede vitamine-D status belangrijk is.

art_totop

Andere belangrijke nutriënten voor de botgezondheid

Eiwitten

Diverse studies tonen aan dat eiwitten een gunstig effect hebben op de botmineraaldichtheid (8), op het aantal fracturen ( 9,10 11,12) en op het botverlies (13).

Vitamine D

Vitamine D stimuleert de botvorming en de mineralisatie van het skelet. Vitamine D zorgt ook voor de absorptie van calcium in de darmen. Een verhoogde inname van vitamine D bij ouderen leidt tot minder botverlies en een verminderd risico op fracturen (14,15,16,17). Volgens een meta-analyse geeft een suppletie van vitamine D van ongeveer 20 microgram ( met of zonder calciumsuppletie ) een reductie van 26 % op het risico van heupfracturen en van 23 % op het risico van het totale aantal fracturen, met uitzondering van fracturen aan de ruggenwervels (18).

Vitamine B12

Verschillende studies vinden een relatie tussen vitamine B12 en de botgezondheid. Een lage vitamine B12 -status lijkt gepaard te gaan met een lagere botdensiteit (19,20).

Magnesium

Magnesium is een bouwsteen van het skelet. Een tekort aan magnesium is een risicofactor voor osteoporose (21). Er is een significant verband gevonden tussen een hogere inname van magnesium en een hogere botmineraaldensiteit (22).

Vitamine K

Recent onderzoek toont dat vitamine K tussenkomt in de activering van eiwitten aanwezig in het botweefsel. Op die manier speelt vitamine K mogelijk een rol in de preventie van osteoporose. Er worden gunstige effecten van vitamine K2 verwacht. Recent Nederlands onderzoek bij postmenopauzale vrouwen heeft aangetoond dat een hoge inname van vitamine K2 (45 mg per dag, dit is 1000 keer hoger dan de normale dagelijkse inname) de botmineraaldichtheid bevordert en de botsterkte behoudt (23). Kaas en kwark bevatten relatief veel vitamine K2.

art_totop

De rol van zuivel

Zuivel beschermt tegen botverlies

In 75 % van de sinds 1975 uitgevoerde observationele studies waarin melkproducten als calciumbron zijn onderzocht, komt men tot het besluit dat een verhoogde calciuminname via zuivel het skelet beschermt tegen botverlies.

Eén studie maakt een directe vergelijking tussen calcium uit melkproducten en calcium uit supplementen (24). De deelnemers aan de studie waren meisjes tussen 10 en 12 jaar met een gebruikelijke calciuminname van 680 mg per dag. Ze werden gerandomiseerd over vier groepen: dagelijkse toevoeging van 1000 mg zuivelcalcium (vooral vetarme kaas), 1000 mg calciumfosfaat plus 200 IE vitamine D, 1000 mg calciumfosfaat of placebo. Na 2 jaar was in de melkproductengroep de corticale dikte van de tibia significant meer toegenomen dan in de andere groepen. Onderzoekers schreven dit verschil onder meer toe aan een betere absorptie van calcium uit melkproducten omdat tegelijkertijd met calcium ook lactose en caseïnefosfopeptiden werden ingenomen. Een tweede verklaring was een betere spreiding van calcium via melkproducten over de dag; dit in tegenstelling tot supplementen die slechts één- of tweemaal per dag worden ingenomen. Ten slotte gaven ze ook aan dat melkproducten behalve calcium ook eiwitten, magnesium en andere micronutriënten bevatten die eveneens bijdragen tot een gezonde botontwikkeling.

Zuivel: onze belangrijkste natuurlijke bron van calcium

Melkproducten zijn onze belangrijkste natuurlijke bron van calcium. Magere melk(producten) bevatten evenveel calcium als de volle en halfvolle soorten. Het calciumgehalte in kaas varieert naargelang het type. Hardere kaassoorten bevatten meestal het meest calcium.

Zuivel:  een belangrijke leverancier van eiwitten

Zuivel is ook een belangrijke leverancier van eiwitten. Melkeiwitten spelen een belangrijke rol bij de synthese van nieuw eiwit dat vereist is voor de continue remodeling van de botten.Een calcium-eiwitratio van 20 mg calcium per gram eiwit voorziet in een adequate botbescherming. Melk heeft een calcium-eiwitratio van 35.

Andere essentiële nutriënten in zuivel

Naast calcium en eiwitten brengen melk(producten) nog andere essentiële nutriënten aan (bv. vitamine D, vitamine B12, vitamine K, magnesium) die bijdragen tot een goede nutritionele status en daarmee ook tot een goede botgezondheid.

Er wordt aanbevolen om elke dag 3 tot 4 glazen melk(producten)- in totaal ongeveer 500 ml- en 1 tot 2 sneetjes kaas -20 tot 40 g- in te nemen. Een gemiddelde basisvoeding zonder melk(producten) brengt slechts 200 tot 400 mg calcium per dag aan.

 

art_totop

Literatuur

  1. Nationale voedselconsumptiepeiling. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, afdeling Epidemiologie, http://wwiph.fgov.be/epidemio/epinl/index5.htm
  2. Osteoporose en heupfracturen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Gezondheidszorg, WIV, episerie nr 18
  3. Ibidem
  4. R.P Heaney., Calcium, dairy products and osteoporosis. J. Am Coll Nutr 19 (2 Suppl):83S-99S,2000
  5. R.P Heaney., Dairy and bone health. J of the Am College of Nutr, 28, 82S-90S,2009.
  6. J.W Nieves et al., Teenage and current calcium intake are related to bone mineral density of the hip and forearm in women aged 30-39 years. Am J Epidemiol 141:342-351,1995
  7. B.M Tang et al., Use of calcium or calcium in combination with vitamin D supplementation to prevent fractures and bone loss in people aged 50 years and older: a meta-analysis. The Lancet; 370:657-666, 2007.
  8. D. Feskanich et al., Protein consumption and bone fractures in women. Am J Epidemiol 143: 472-179,1996.
  9. H.E Meyer et al., Dietary factors and the incidence of hip fracture in middle-aged Norwegians,. A prospective study. Am J Epidemiol 145:117-123,1997.
  10. R.G Munger et al.,Prospective study of dietary protein intake and risk of hip fracture in postmenopausal women. Am J Clin Nutr 69:147-152,1999.
  11. M.T Hannan et al., Effect of dietary protein on bone loss in elderly men and women: the Framingham Osteoporosis Study. J Bone Miner Res , 15:2504-2512,2000.
  12. J.S Price et al., The cell biology of bone growth. Eur J Clin Nutr 48 (Suppl1): S 131-S149,1994.
  13. J.P Bonjour., Dietary protein: an essential nutrient for bone health. J Am Coll Nutr 25 ( Suppl 6): 526S -539S,2005.
  14. D. Feskanich et al., Calcium, vitamin D, milk consumption, and hip fractures: a prospective study among postmenopausal women. Am J Clin Nutr 77:504-511,2003.
  15. R.P Heaney., The vitamin D requirement in health and disease. J Steroid Biochem Mol Biol 97:13-19,2005.
  16. R.J Heikinheimo et al., Annual injection of vitamin D and fractures of aged bones . Calcif Tissue Int 51:105-110,1992.
  17. M.E Ooms et al., Prevention of bone loss by vitamin D supplementation in elderly women: a randomized blind trial. J Clin Endocrinol Metab 80:1052-1058,1995.
  18. H.A Bischoff-Ferrari et al., Fracture prevention with vitamin D supplementation : a meta-analysis of randomized controlled trials. JAMA 293: 2257-2264,2005.
  19. R.A Dhonuksche - Rutten et al., Vitamin B12 status is associated with bone mineral content and bone mineral density in frail elderly women but not in men. J. Nutr 133:801-807,2003.
  20. K.L Tucker et al., Low plasma vitamin B12 is associated with lower BMD: The Framingham Osteoporosis Study. Journal of Bone and Mineral Research , 2005.
  21. J.Z Illich et al., Nutrition in bone health revisted: a story beyond calcium. J Am Coll Nutr 19:715-37,2000.
  22. K.M Ryder et al., Magnesium intake from food and supplements is associated with bone mineral density in healthy older white subjects. J. Am Geriat Soc 53:1875-1880, 2005.
  23. W. Van Koningsbruggen et al., Gunstig effect vitamine K2 op botgeometrie en -sterkte
    Voedingsmagazine 2007; 20 (4):20-23.
  24. S. Cheng et al., Effects of calcium , dairy product , and vitamin D supplementation on bone mass accrual and body composition in 10-12 year old girls: a 2y randomized trial. Am J Clin Nutr 82: 1115-1126, Quiz 1147-1148,2005

art_totop